Categorieën
Hoogeveen

Johannes Eisen Hoogeveen en Trijntje Wybes Wagenaar

Johannes, de zoon van Eise en Josina, trouwt op 1 mei 1803 met Trijntje Wiebes Wagenaar. Ook de Wagenaars waren schippers uit Surhuisterveen. Trijntje en Johannes krijgen 11 kinderen van wie er 2 op jonge leeftijd overlijden. Het kwam bij de schippers regelmatig voor dat een kind van boord viel en verdronk. De kinderen voeren vaak mee aan boord, en sliepen verdeeld over de roef en het vooronder. Soms gingen kinderen in de kost op het land. Dat zal ook bij de familie Hogeveen het geval geweest zijn, omdat sommige van de kinderen konden lezen en schrijven en anderen niet.

De eerste vijf kinderen zijn geboren in Surhuisterveen. De volgende drie in Bergumerdam en de jongste twee zijn geboren in Leeuwarden.
Van de schepen van Johannes en Trijntje is nog wel iets te vinden in de archieven. In 1810 koopt Johannes een Kofschip van circa 16 meter lang en 3,5 meter breed voor een bedrag van 240 Carolus guldens. Vijftien jaar later, in 1825 huurt Johannes een schuiteschip van 14 meter 20 lang, 27 ton. Een schuiteschip is vergelijkbaar met een Skutsje en was geschikt voor de Friese binnenwateren. In 1826 koopt hij het schip voor 1000 guldens.

In 1833 overlijden Johannes en twee van de kinderen, Jacob en Rompkje, in de vaart bij Donkerbroek. Wat er precies is gebeurd is niet zeker, maar er is een krantenartikel uit 1855 (bron Delpher.nl) te vinden dat beschrijft hoe een schippersgezin verdrinkt omdat de sluiswachter vergeet om de sluizen dicht te doen. Door het zakkende water komen de schepen scheef te hangen in de trossen. Misschien is dit ook gebeurd in de vaart bij Donkerbroek in 1833.

In den nacht van Zaturdag op Zondag jl. had in de gemeente Donkerbroek een droevig voorval plaats. De sluiswachter van Weinjelerp had doordien het hoog water was den ganschen nacht laten stroomen. Hierdoor werd veroorzaakt, dat de schepen, die belast aan wal aan den ketting lagen, zakten. Door den ketting verhinderd met het water te kunnen zakken, slaat er een schip, belast met turf, op zijde en schept water. De man, die met zijne familie in het vooronder te ruste lag, verneemt zulks en ontkomt met zijne vrouw en één kindje het gevaar; terwijl hij twee zijner lievelingen, een meisje van vijf en een zoon van tien jaren, moest laten omkomen, doordien het schip al meer en meer omkantelde en daardoor het redden der kleinen onmogelijk werd. Ook te Klein Groningen is een met turf beladen schip, door het stroomen, gezonken, terwijl dit ook in de nabijheid van Oosterwolde het geval moet zijn. Des sluiswachters verzuim van kennisgeving schijnt hier de oorzaak te wezen.

Trijntje pakt na het overlijden van Johannes de draad weer op en zet het bedrijf met haar kinderen voort. Als haar dochter Josyna in 1834 trouwt, woont ze op een schip. Trijntje blijft in Donkerbroek wonen. Haar leven is hard. In 1838 verdrinkt haar oudste zoon Eise en de een na oudste – Wiebe, onze voorouder – wordt opgeroepen voor het leger. Wiebe was niet op komen dagen bij de loting – die in die tijd gewoon was – en wordt zonder loting ingedeeld bij de 18e Afdeling Infanterie. Het bevalt Wiebe waarschijnlijk beter dan het leven van schippersknecht, want hij tekent een paar keer bij.

Op 28 januari 1852 verkopen Trijntje Wagenaar, Keimpe Veenstra (man van Sjoukje) en Hendrik Hoogeveen hun aandeel – 103/112 gedeelte – in het schip De Jonge Tietje aan Hillebrand Hartholt, handelaar in Donkerbroek. Het resterende 9/112 gedeelte blijft eigendom van Lykele Bonstra, weduwnaar van Hendrikje Hogeveen (bron: verkoopakte).

Keimpe huurt De Jonge Tietje een paar weken later voor een periode van twaalf jaar. Op dezelfde dag huurt Hendrik Hoogeveen voor 60 gulden per jaar het tjalkschip De Jonge Jan. De zwagers Hendrik en Keimpe zijn elkaars borg (bron: de huuraktes).

Trijntje overlijdt op 4 september 1852 in Harlingen, op het schip van haar dochter Sjoukje en schoonzoon Keimpe.